Op mijn gemakje zet ik op maandagmorgen de kliko aan de weg. Het belooft weer een mooie dag te worden en ik zet mijn zonnebril op mijn neus. Vervolgens loop ik naar de parkeervakken om in mijn auto te  stappen om naar mijn werk te rijden. Als de overbuurvrouw uit haar raam keek, had ze de volgende scène van mij kunnen zien:

Links kijken. Rechts kijken. Achterom kijken. Op horloge kijken. Nog een keer links kijken. Zenuwachtig lachje. Rechts kijken. Hand op hoofd. Keihard gelach. Snelle sprint naar binnen. Een minuut later een keihard fietsende overbuurvrouw.

Godzijdank werk ik op maandag dicht bij huis! Schiet het door mijn hoofd. Wanneer ik vijf minuten later langs het de station race, zie ik mijn auto chillen in de zon. Ik was vanmorgen even vergeten dat ik mijn weekendje Texel begon vanuit de trein. Op de terugweg reed ik met mijn vriend mee en ben ik m’n kar helemaal vergeten op te halen. Gelukkig is het vanaf het station nog maar vijf minuten naar mijn werk. Ik hoor je denken: kort stukkie! Zou je niet gewoon altijd lekker moeten fiet... – Ja.

 

Docent zijn kan best wel eens pittig zijn. Dat dit algemeen bekend is, blijkt ook wel uit de standaard vragen die ik eigenlijk altijd wel hoor: “kun je ze een beetje aan? Moet je ze er soms uitsturen? Ben je heel streng?” Stiekem vind ik dit nooit zulke leuke vragen, omdat dit altijd toch een beetje de negatieve klank van lesgeven naar voren haalt. Veel leuker zou het zijn om vragen te horen als: “Is het gezellig in de klas? Wat was je leukste les? Wanneer heb je voor het laatst keihard gelachen?” Over dat laatste gesproken…

Vanmorgen gaf ik les aan de brugklas en ze kregen van mij de opdracht om gehusselde woorden in de goede volgorde te zetten. Zo ook deze:

voiture – as – une – rouge – tu

Op een gegeven moment komt een leerling naar mij toe met de volgende oplossing: Tu rouge voiture as une. “Mevrouw, is dit goed? Ik zie het gewoon even niet.” Ik help de leerling in het Nederlands: “Jij rode auto hebt een. Hoe zou je dat in het Nederlands dan zeggen?” De leerling staart in de verte. Na een tijdje zegt de leerling: “Ik weet het echt even niet, mevrouw.” Vanbinnen begin ik een beetje te giechelen en ik besluit om met een Italiaans handje de zin nog eens te herhalen: “Jij rode auto hebt een.” De leerling begint te lachen. “Dat klinkt echt niet!” Ik herhaal de uitleg van eerder dit jaar. “Je begint met het onderwerp, dat gaat goed, daarna het werkwoord.” De leerling begint: “tu as… Dus: jij hebt… Oooooooooo. Hahahahahahahaha.” Samen hebben we er even hard om gelachen.

Vervolgens wilde ik de klassikale uitleg oppakken, maar ik schoot elke keer in de lach bij het zien van die leerling. “Werk maar even rustig verder jongens.” Heerlijk moment.

Het is woensdagochtend en ik heb het eerste uur vrij. Heerlijk, zo’n ‘uitslaapdagje’ in het midden van de week. Omdat ik geen kopieën hoef te maken, mag ik van mezelf even voor half negen vertrekken. Zonder file ben ik dan ruim op tijd.

Twintig minuten later rijd ik helaas een file in. Ik heb wat speling met mijn tijd, dus als het niet al te lang duurt gaat dit helemaal goedkomen.

(…)

Over 800 meter kan ik mijn afslag nemen. Vóór mijn afslag zit nog een andere afslag, waar ik inmiddels met een slakkengang langsrijd. Het busje voor me stopt en even staan we stil. Ik houd de tijd in de gaten: mijn les begint over 18 minuten. Het wordt inmiddels krap, maar er is nog geen paniek.

De volgende twintig seconden rijd ik nog steeds super langzaam langs de afslag. En dan gebeurt er iets onverklaarbaars. Ik kijk in mijn rechterbuitenspiegel en ineens vind ik mezelf enorm dom. Hoezo ben ik niet rechts voorgesorteerd voor mijn afslag?? Waarom rijd ik achter dit busje? Ik moet NU naar rechts! Ik wacht een rode auto af die rechts langs mij heen zoeft en ik draai mijn stuur naar rechts. HA! Nu kan ik er lekker langs. 

Na zo’n twee seconden besef ik dat er iets goed fout gaat. Ik heb de verkeerde afslag genomen. Direct krijg ik een flashback naar mijn sollicitatiegesprek: toen pakte ik ook deze afslag. (“Dat gaat me nooit meer gebeuren”, dacht ik toen nog).

Terwijl ik mezelf echt oliedom vind, begin ik nu wel nerveus te worden voor mijn eerste les. Waarschijnlijk zal ik het nét niet gaan halen. Nerveus hik ik er een lachje uit. HOEZO neem ik de verkeerde afslag naar mijn werk? Ik heb hier al honderd keer gereden!

Gelukkig lukt het me algauw om bij een rotonde te keren en race ik richting mijn werk. Uiteindelijk parkeer ik mijn auto twee minuten voordat de les begint op het parkeerterrein. Hier ga ik dus mooi niemand iets over vertellen. Yeah right. 

 

“Wow, mijn mondeling ging echt goed! Ik heb gesprek 3 en 4 gegrabbeld.” De leerling praat na over het mondeling dat ik zojuist met haar heb gedaan. Ze was als eerste aan de beurt en vertelt nu op de (nogal gehorige) gang aan haar medeleerlingen hoe het gegaan is.

“Gegrabbeld? Hoe bedoel je? – Nou, ze had een grabbelton, waaruit je dus twee briefjes moet trekken met daarop het nummer van het gesprek dat je moet doen. Ik hoopte echt zo dat ik 4 niet had, maar die had ik dus juist! Het ging uiteindelijk best goed hoor.” Andere leerling: “oh shit, ik dacht dat je zelf je gesprekken moest kiezen! Ik hoopte dat ik gewoon kon zeggen dat ik 1 en 2 wilde. Ik kan 3 helemaal niet zo goed.” Eerste leerling: “Nee, dat kan dus niet. Wow, ik was echt zo zenuwachtig hè, maar het ging echt goed! Behalve de laatste zin, die ging slecht…” Andere leerling: “bij jou of bij haar?” Eerste leerling: “Bij mij natuurlijk! Ik zei s’il vous plaît in plaats van au revoir.”

Je vous aime, mes élèves 🙂 

Bekijk bericht

Het is vandaag 1 maart: vandaag ga ik met mijn nieuwe baan beginnen: leuk! Om mij voor te bereiden, blader ik nog even door mijn aantekeningen van de lessen die ik de afgelopen weken heb bijgewoond. Kom je toch wel weer leuke uitspraken tegen.

Twee leerlingen: “Neem jij je playstation mee naar Duitsland? – Dude, we gaan naar een gástgezin!” (stilte). “Nou en?!”

Docent: “Als je niet ophoudt, dan blijf je na.” Leerling: “dat kan niet, ik heb nog paardrijles!” Docent: “dan koop je maar een hobbelpaard.”

Leerling: “Huh?!” Docent: “Er moet iemand gemolken worden achterin.” Andere leerling: “Dan komt er karnemelk uit hoor, meneer.”