Opnieuw sjees ik vanavond met de collectebus door de straten. Zoals altijd kom ik weer wat leuke quotes tegen:

“Zo, jij bent echt een BU-er aan het worden hier!” (man, +- 40 jaar)

“Páááááp er staat een meisje voor de deur. (…) Ja weet ik niet, ze heeft haar naam niet gezegd. (…) O, maar ik heb nu al opengedaan.” (meisje, +-8 jaar)

“Heb je zelf geen geld?” (jongen, +- 5 jaar)

Altijd als ik snoepworteltjes zie (mijn schoonzus had deze mee in de auto op weg naar Soestdijk) moet ik aan het verhaal denken dat een oud studiegenootje mij eens vertelde.

Zo zat ze in de trein met een zakje ronde, kleine worteltjes. Vrolijk knabbelt ze aan deze gezonde snack, ondertussen naar buiten kijkend. Algauw wil ze de volgende wortel pakken, maar op dat moment scheurt de zak plotseling verder door. Een paar wortels vallen op de grond en rollen als reuzeconfetti alle kanten op. De meeste worteltjes weet ze met haar voet nog wel bij zich te houden, maar een paar oranje knakkers rollen naar de banken achter haar, waar ook een gezelschap zit. De man met het Surinaamse accent die aan het woord is, valt verbaasd even stil en zegt dan heel catchy met een ‘dikke w’:

“Éé, wa’s da voor wortel?!”

Wauw, dat was een fantastische avond.

De voorpret begint al in april, als ik nog in Duinkerke woon. Op een dag krijg ik een berichtje van mijn schoonzus, of ik het leuk zou vinden om mee te gaan naar Empeiria: een muzikale avond in de tuin van paleis Soestdijk. “Ludovico Einaudi” zegt ze er direct achteraan. Volmondig antwoord ik: “ja!”

Bekijk bericht

“Hoi” zegt het nieuwe shirtje tegen de nieuwe panty. “Hallo!” Samen kijken ze naar de ritssluiting die nog altijd gesloten is. “Kun je misschien een beetje opschuiven?” vraagt de bikini aan het vest. “Je bent zo warm!” Het jurkje en het rokje knikken beamend.

Dagen gaan voorbij, weken gaan voorbij. De kleren worden met de dag chagrijniger en ze hebben het flink benauwd. Totdat ze ineens beginnen te trillen en flink door elkaar worden geschud. PLOF! Er wordt gemorreld aan de ritssluiting en er valt een streep licht naar binnen. Ondanks wat duizeligheid van de luide klap, klinkt het ritsgeluid als een verlossing en daar gaat dan eindelijk de bovenkant van de koffer open. Frisse lucht!

Dan horen ze tot hun schrik ineens een keihard geblèr: “O dááááááár zijn mijn kleren!!!”

Helemaal goed bezig zonder zweethandjes totdat de deur opengaat en de vorige cliënt de kamer van de tandarts uitstapt. Voordat ik het spontaan ontstane zweet aan mijn broek heb af kunnen vegen, staat de tandarts al met een brede muhahaha-glimlach op mij te wachten. Ik spits mijn oren om te horen of ik een soppig geluidje hoor bij het geven van de handdruk (als het dan toch moet, dan maar een lekker gedetailleerd, vies blogje erover), maar het eventuele geluid wordt overstemd door een: “Zo, daar zijn we weer hè.” Oepsie.