“Hardys? Yes, that’s a 3 km walk through the main street and then on your left!” We zijn op verkenningstocht naar de grote supermarkt in Sanur. Het is fijn dat de mensen hier zo goed Engels spreken: mijn Indonesisch is nog net wat te basic om al ‘ja’ en ‘nee’ te kunnen zeggen. We kijken onze ogen uit: wat is het hier leuk! Winkeltje na winkeltje lopen we voorbij, badend in de hitte. Vriendelijke verkopers proberen ons allemaal naar binnen te lokken om souvenirs te kopen, maar wij bedanken hen net zo vriendelijk en lopen puffend door. Bekijk bericht

Na een reis van ruim 20 uur zegt de ene joggingbroek tegen de andere: “hee, we hebben geen huilende baby gehoord!” Waarop de tweede joggingbroek reageert: “nee, lekker joh! En dat terwijl er toch echt een paar kindjes aan boord zitten.” (Je moet het ergens over hebben, hè).

Na een paar minuten roept de piloot om: “captain crew, prepare for landing”. Het vliegtuig daalt en op dat moment trekt een een kindje zijn keel open. Sneu, hij snapt natuurlijk niks van de ploppende oren.

“Hij huilt ook echt Oosters!” Merkt de grijze joggingbroek oplettend op.

Pieeeeeeeep! De handbagage van mijn vriend wordt eruit gepikt. We zijn op onze tussenstop in Hong Kong en moeten dus opnieuw door de douane.

De Chinees grabbelt wat in de tas en haalt er een grote pot pindakaas uit. Fronsend kijkt hij naar mijn vriend. “Oh, that’s my peanut butter!” Pot vergeten over te scheppen in zijn ruimbagage. HAHA. Ik probeer mijn gezicht in de plooi te houden: we staan immers bij de douane. De man reageert koeltjes: “not allowed.”

En daar verdwijnt dan ons Nederlands trots in de Chinese prullenbak.