“Dorinde?” De tandartsassistente kijkt vragend de wachtkamer in. Ik sta op, geef haar een hand en loop met haar mee. Enigzins verbaasd ga ik de ruimte in waar ze me naartoe brengt. Ik dacht dat ik alleen een tandartsafspraak had, geen mondhygiënist afspraak. Nou ja, zal ik wel vergeten zijn. Ik ga op de stoel zitten en wacht rustig af. Nadat ik ben ingepakt met een soort bitje en een bril, vraag ik me af of er iets mis gaat.  Zo’n bitje heb ik nog nooit gehad, laat staan zo’n veiligheidsbril. Ik besluit toch even af te wachten, aangezien ik niet kan praten met dat ding in mijn mond. “Zo, dan ga ik nu je tanden kleuren.” Ze rommelt in haar gereedschap, maar ik word nu echt nerveus. Tanden kleuren? Ik kom daar helemaal niet voor. “Erghh. ih dah pohijhen?” Ze kijkt me wat vragend aan. Na nog twee pogingen begrijpt ze me. “Nee, ik ga niet polijsten, ik ga je tanden tijdelijk roze kleuren om te kijken of er tandsteen zit.” Oooooooh, duh! Ik voel me een beetje suf dat ik haar niet begrepen heb, natuurlijk gaat ze hier mijn tanden niet bleken.

De bril bleek nogal nodig te zijn, bij de nieuwe methode spettert het een stuk meer dan bij de ouderwetse tandartshaak. Niks heftigs dus! Toch neem ik me voor om voortaan mijn vragen te stellen voordat het praten me onmogelijk gemaakt wordt, hihi.

Op mijn gemakje zet ik op maandagmorgen de kliko aan de weg. Het belooft weer een mooie dag te worden en ik zet mijn zonnebril op mijn neus. Vervolgens loop ik naar de parkeervakken om in mijn auto te  stappen om naar mijn werk te rijden. Als de overbuurvrouw uit haar raam keek, had ze de volgende scène van mij kunnen zien:

Links kijken. Rechts kijken. Achterom kijken. Op horloge kijken. Nog een keer links kijken. Zenuwachtig lachje. Rechts kijken. Hand op hoofd. Keihard gelach. Snelle sprint naar binnen. Een minuut later een keihard fietsende overbuurvrouw.

Godzijdank werk ik op maandag dicht bij huis! Schiet het door mijn hoofd. Wanneer ik vijf minuten later langs het de station race, zie ik mijn auto chillen in de zon. Ik was vanmorgen even vergeten dat ik mijn weekendje Texel begon vanuit de trein. Op de terugweg reed ik met mijn vriend mee en ben ik m’n kar helemaal vergeten op te halen. Gelukkig is het vanaf het station nog maar vijf minuten naar mijn werk. Ik hoor je denken: kort stukkie! Zou je niet gewoon altijd lekker moeten fiet... – Ja.

Ik fiets vandaag door de stad, maar moet van mijn fiets afstappen door de vele voetgangers. Bij één voetganger die ik passeer blijft mijn blik hangen. Het is een mevrouw die bij een winkelruit naar binnen staat te turen. Haar man staat een meter achter haar en kijkt een beetje om zich heen. De vrouw heeft een zwart T-shirt aan en het witte labeltje steekt aan de bovenkant uit. De man moet dit overduidelijk gezien hebben, maar hij laat het labeltje lekker naar buiten kijken. Ben ik de enige persoon die dan in gedachten dat labeltje terug wil stoppen?

Deze situatie doet me denken aan een situatie in de trein een paar jaar geleden. (…..) Ik heb zojuist een appelflap gekocht waar ik heerlijk van aan het genieten ben. Samen met twee vrienden ben ik ingestapt en we gaan tegenover een vrouw zitten. Een paar minuten nadat ik mijn appelflap heb weggewerkt, spreekt de vrouw me aan. “Kind, kom hier, ik kan het niet meer aanzien.” En ze boent met haar duim over mijn kin, waar kennelijk een nogal grote kruimel zit te chillen. Sowieso dat de jongens die dikke kruimel ook hebben gezien. Lichtelijk awkward vind ik het wel, maar toch ben ik de vrouw dankbaar dat ze me niet met die kruimel op mijn kin de wijde wereld in stuurt.

Bij deze dus een oproep aan alle mannen: mocht je zien dat er een labeltje uitsteekt, iemand nodig in de spiegel moet kijken of dat er iets tussen iemands tanden zit, doe daar dan wat mee!! 🙂

 

Docent zijn kan best wel eens pittig zijn. Dat dit algemeen bekend is, blijkt ook wel uit de standaard vragen die ik eigenlijk altijd wel hoor: “kun je ze een beetje aan? Moet je ze er soms uitsturen? Ben je heel streng?” Stiekem vind ik dit nooit zulke leuke vragen, omdat dit altijd toch een beetje de negatieve klank van lesgeven naar voren haalt. Veel leuker zou het zijn om vragen te horen als: “Is het gezellig in de klas? Wat was je leukste les? Wanneer heb je voor het laatst keihard gelachen?” Over dat laatste gesproken…

Vanmorgen gaf ik les aan de brugklas en ze kregen van mij de opdracht om gehusselde woorden in de goede volgorde te zetten. Zo ook deze:

voiture – as – une – rouge – tu

Op een gegeven moment komt een leerling naar mij toe met de volgende oplossing: Tu rouge voiture as une. “Mevrouw, is dit goed? Ik zie het gewoon even niet.” Ik help de leerling in het Nederlands: “Jij rode auto hebt een. Hoe zou je dat in het Nederlands dan zeggen?” De leerling staart in de verte. Na een tijdje zegt de leerling: “Ik weet het echt even niet, mevrouw.” Vanbinnen begin ik een beetje te giechelen en ik besluit om met een Italiaans handje de zin nog eens te herhalen: “Jij rode auto hebt een.” De leerling begint te lachen. “Dat klinkt echt niet!” Ik herhaal de uitleg van eerder dit jaar. “Je begint met het onderwerp, dat gaat goed, daarna het werkwoord.” De leerling begint: “tu as… Dus: jij hebt… Oooooooooo. Hahahahahahahaha.” Samen hebben we er even hard om gelachen.

Vervolgens wilde ik de klassikale uitleg oppakken, maar ik schoot elke keer in de lach bij het zien van die leerling. “Werk maar even rustig verder jongens.” Heerlijk moment.

Het is woensdagochtend en ik heb het eerste uur vrij. Heerlijk, zo’n ‘uitslaapdagje’ in het midden van de week. Omdat ik geen kopieën hoef te maken, mag ik van mezelf even voor half negen vertrekken. Zonder file ben ik dan ruim op tijd.

Twintig minuten later rijd ik helaas een file in. Ik heb wat speling met mijn tijd, dus als het niet al te lang duurt gaat dit helemaal goedkomen.

(…)

Over 800 meter kan ik mijn afslag nemen. Vóór mijn afslag zit nog een andere afslag, waar ik inmiddels met een slakkengang langsrijd. Het busje voor me stopt en even staan we stil. Ik houd de tijd in de gaten: mijn les begint over 18 minuten. Het wordt inmiddels krap, maar er is nog geen paniek.

De volgende twintig seconden rijd ik nog steeds super langzaam langs de afslag. En dan gebeurt er iets onverklaarbaars. Ik kijk in mijn rechterbuitenspiegel en ineens vind ik mezelf enorm dom. Hoezo ben ik niet rechts voorgesorteerd voor mijn afslag?? Waarom rijd ik achter dit busje? Ik moet NU naar rechts! Ik wacht een rode auto af die rechts langs mij heen zoeft en ik draai mijn stuur naar rechts. HA! Nu kan ik er lekker langs. 

Na zo’n twee seconden besef ik dat er iets goed fout gaat. Ik heb de verkeerde afslag genomen. Direct krijg ik een flashback naar mijn sollicitatiegesprek: toen pakte ik ook deze afslag. (“Dat gaat me nooit meer gebeuren”, dacht ik toen nog).

Terwijl ik mezelf echt oliedom vind, begin ik nu wel nerveus te worden voor mijn eerste les. Waarschijnlijk zal ik het nét niet gaan halen. Nerveus hik ik er een lachje uit. HOEZO neem ik de verkeerde afslag naar mijn werk? Ik heb hier al honderd keer gereden!

Gelukkig lukt het me algauw om bij een rotonde te keren en race ik richting mijn werk. Uiteindelijk parkeer ik mijn auto twee minuten voordat de les begint op het parkeerterrein. Hier ga ik dus mooi niemand iets over vertellen. Yeah right.